Atex materiaal kiezen voor explosieveilige zones

Het kiezen van het juiste atex materiaal begint met één vraag: in welke zone werk je? ATEX staat voor Atmosphères Explosibles en omschrijft de Europese regelgeving voor elektrisch materieel en beschermingssystemen in omgevingen waar explosiegevaar bestaat door brandbare gassen, dampen of stof. Wie verkeerd materiaal inzet in een explosieveilige zone, riskeert niet alleen zijn installatie, maar stelt mensen bloot aan levensgefaarlijke situaties. Hieronder lees je hoe ATEX zones zijn ingedeeld, welke eisen gelden en waaruit je atex materiaal concreet bestaat.

ATEX zones: de basis van elke materiaalkeuze

De indeling in ATEX zones bepaalt welk explosieveilig materiaal je mag en moet gebruiken. Voor gasgevaar gelden drie zones: zone 0 is een ruimte waar voortdurend een explosieve atmosfeer aanwezig is, zone 1 betreft locaties waar explosieve gasmengsels tijdens normale werking regelmatig voorkomen, en zone 2 omvat omgevingen waar dit slechts zelden en kortdurend het geval is. Voor stof gelden vergelijkbare zones: 20, 21 en 22. Hoe hoger het risico in een zone, hoe strenger de eisen aan het atex materiaal dat je inzet.

De zone-indeling is niet vrijblijvend. Werkgevers zijn volgens de ATEX 153-richtlijn (arbeidsomstandigheden) verplicht om een explosieveiligheidsdocument op te stellen, de zones te classificeren en passend materieel te selecteren. Dit geldt voor de chemische industrie, raffinaderijen, petrochemische omgevingen, maar ook voor agrarische bedrijven met silo’s of verfspuiterijen. De zone-indeling bepaalt welke categorie apparatuur je nodig hebt: categorie 1 voor zone 0/20, categorie 2 voor zone 1/21 en categorie 3 voor zone 2/22.

Wat valt er onder atex materiaal?

ATEX materiaal is een brede categorie die elk elektrisch of mechanisch onderdeel omvat dat gecertificeerd is voor gebruik in explosiegevaarlijke omgevingen. Concreet gaat het om explosieveilige transformatorkasten, verdeelkasten, verlengkabels, verlichting en stekkermateriaal. Elk van deze producten moet zijn voorzien van de juiste ATEX-markering, waaronder het Ex-symbool, de apparaatgroep, de apparatuurcategorie en de temperatuurklasse.

De temperatuurklasse geeft aan tot welke maximale oppervlaktetemperatuur het apparaat mag oplopen. Dit is essentieel, omdat een te warm oppervlak een brandbaar gas of stof kan ontsteken. Klasse T1 staat een maximale temperatuur van 450°C toe, terwijl T6 de grens legt bij slechts 85°C. In omgevingen met gassen die al bij lage temperaturen ontbranden, zoals waterstofsulfide, is een strenge temperatuurklasse dus onmisbaar.

Friand levert explosieveilige producten die KEMA-gecertificeerd zijn, waaronder transformatorkasten met CEAG en Stahl stekkers. KEMA-certificering is de Nederlandse standaard voor explosieveilige apparatuur en geeft de zekerheid dat het materiaal is getest en goedgekeurd voor de opgegeven omstandigheden. Zonder deze certificering mag je het product simpelweg niet inzetten in een gecertificeerde ATEX zone.

Gasgroepen en beschermingswijzen binnen ATEX

Naast de zone-indeling spelen gasgroepen een rol in de selectie van atex materiaal. Gasgroep IIA omvat gassen zoals propaan, groep IIB omvat ethyleen en groep IIC de gevaarlijkste gassen zoals waterstof en acetyleen. Hoe verder in het alfabet, hoe strenger de eisen aan het materieel. Atex materiaal voor groep IIC is daarmee altijd ook geschikt voor IIA en IIB, maar niet andersom.

De beschermingswijze geeft aan hoe het materiaal zijn veiligheid realiseert. Ex d staat voor vlam-vrij behuizing (het materieel kan intern ontbranden maar houdt de vlam binnen), Ex e is verhoogde veiligheid waarbij vonken en hoge temperaturen worden voorkomen, en Ex i omschrijft intrinsieke veiligheid waarbij de energieniveaus zo laag zijn dat ontsteking onmogelijk is. Voor transformatorkasten en verdeelkasten in ATEX zones kies je doorgaans voor Ex d of Ex e, afhankelijk van de zone en de specifieke toepassing.

Praktische checklist bij de keuze van explosieveilig materiaal

Een goede materiaalkeuze begint bij het explosieveiligheidsdocument van jouw locatie. Daarin staat de exacte zone-indeling, de aanwezige stoffen en de bijbehorende gasgroep. Met die informatie kun je gericht zoeken naar atex materiaal met de juiste categorie, gasgroep en temperatuurklasse. Controleer vervolgens of het product beschikt over een geldige EU-typeonderzoekscertificaat en of de leverancier traceerbare documentatie kan overleggen.

Let ook op de IP-classificatie van de behuizing. In natte of stofrijke ATEX omgevingen is een IP65-behuizing of hoger verplicht, zodat stof en vocht de behuizing niet binnendringen en de explosieveiligheid niet compromitteren. Friand produceert al haar trafokasten en verdeelkasten met robuuste behuizingen die ook in zware buitenomstandigheden betrouwbaar functioneren. Bij vragen over de juiste configuratie voor jouw locatie kun je altijd neem contact op voor technisch advies op maat.

Veelgestelde vragen

Welk atex materiaal heb ik nodig voor zone 1?

In zone 1 is apparatuurcategorie 2 vereist. Het atex materiaal moet zijn voorzien van een Ex-markering met de juiste gasgroep en temperatuurklasse, en beschikken over een geldig EU-typeonderzoekscertificaat. Kies voor beschermingswijzen zoals Ex d of Ex e, afhankelijk van het type installatie en de aanwezige stoffen.

Wat is het verschil tussen ATEX zone 1 en zone 2?

In zone 1 kunnen explosieve gasmengsels tijdens normale werking regelmatig optreden. In zone 2 is dat alleen in abnormale situaties het geval. Zone 1 stelt daarmee strengere eisen aan het atex materiaal: categorie 2 versus categorie 3 voor zone 2. Voor stof gelden de zones 21 respectievelijk 22.

Is ATEX materiaal ook verplicht bij stofexplosiegevaar?

Ja. De ATEX-regelgeving geldt evengoed voor omgevingen met explosief stof, zoals in houtbewerkingsbedrijven, graanopslagen of farmaceutische productieruimten. De zones worden dan aangeduid als 20, 21 en 22, en het vereiste materiaal volgt dezelfde categorisering als bij gasgevaar.